Wijziging ontslagbesluit inzake opzegging arbeidsverhouding payrollwerknemer

november, 2014

Op 17 november 2014 is de Regeling tot wijziging van het Ontslagbesluit inzake de opzegging van de arbeidsverhouding met een payrollwerknemer gepubliceerd in de Staatscourant. Deze wijziging zal met ingang van de inwerkingtredingsdatum van het nieuwe ontslagrecht van de WWZ – 1 juli 2015 – onmiddellijke werking hebben.

Bij payrolling bestaat een bijzondere contractuele relatie tussen de formele werkgever, de werknemer en de opdrachtgever. De formele werkgever sluit weliswaar een arbeidsovereenkomst met de werknemer maar heeft geen zeggenschap over de werknemer. De zeggenschap ligt op basis van het contract tussen de formele werkgever en de opdrachtgever (of feitelijk) bij de opdrachtgever. Deze heeft zelf de werknemer geworven en geselecteerd en vervult het materiële werkgeverschap.

De band tussen de formele werkgever en de werknemer is een beperkte en bestaat vooral uit de verplichting tot betaling van het loon. Toch is de formele werkgever de juridische werkgever. Dit heeft tot gevolg dat als de opdrachtgever de relatie met een payrollwerknemer wil beëindigen en om die reden de opdracht voor de desbetreffende werknemer beëindigt, het payrollbedrijf (zijnde de formele werkgever) de aangewezen partij is als het gaat om het ontslag van de desbetreffende werknemer en het eventueel aanvragen van een ontslagvergunning. Gelet op de specifieke aard van de contractuele relatie tussen het payrollbedrijf, de payrollwerknemer en de opdrachtgever (inlener) en de afspraken die bij het sociaal akkoord van 11 april 2013 met sociale partners zijn gemaakt over de ontslagbescherming van werknemers die via een payrollbedrijf werkzaam zijn bij een werkgever, worden met deze regeling voor hen regels gesteld, zodanig dat hun bescherming tegen ontslag niet afwijkt van de bescherming van werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij diezelfde opdrachtgever. Concreet betekent dit dat

i) aan de hand van de omstandigheden bij de opdrachtgever (en dus niet aan de hand van de omstandigheden bij de payrollwerkgever!) wordt bepaald of aan de voorwaarden voor het verlenen van toestemming voor opzegging is voldaan en

ii) dat bij het bepalen van de volgorde van opzegging het afspiegelingsbeginsel bij de opdrachtgever (danwel een bij de opdrachtgever geldende afwijkende regeling) moet worden toegepast.

Deze regels zullen ertoe leiden dat de overeenkomsten tussen payrollbedrijven en opdrachtgevers aangepast zullen moeten worden omdat (anders dan nu) het beëindigen van een payrollovereenkomst onvoldoende grond zal zijn voor het verlenen van een ontslagvergunning aan het payrollbedrijf. Om die reden wordt dan ook voorzien in overgangsrecht, inhoudende dat de nieuwe regels uitsluitend van toepassing zijn op arbeidsovereenkomsten die zijn ingegaan op of na 1 januari 2015. Dit overgangsrecht stelt partijen in staat om onderlinge afspraken af te stemmen alvorens de nieuwe regelgeving van toepassing wordt. Deze overgangsperiode duurt tot 1 juli 2015. Op 1 juli 2015 treden de wijzigingen van het ontslagrecht uit de Wet werk en zekerheid en de daarbij horende Ontslagregeling in werking. In deze Ontslagregeling worden – net als in het Ontslagbesluit – regels opgenomen inzake de opzegging van de arbeidsovereenkomst van een payrollwerknemer teneinde hun bescherming tegen ontslag niet te laten afwijken van de bescherming van werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij de opdrachtgever. De Ontslagregeling heeft op dit punt onmiddellijke werking, zodat deze regels vanaf 1 juli 2015 ook gelden voor alle lopende arbeidsovereenkomsten.

De nieuwe Ontslagregeling is hieronder integraal weergegeven:

ARTIKEL I WIJZIGING ONTSLAGBESLUIT

Het Ontslagbesluit wordt als volgt gewijzigd:

A: Aan artikel 1:1 worden onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een punt-komma drie onderdelen toegevoegd, luidende:

d.payrollwerkgever: de werkgever, die op basis van een overeenkomst met een derde, welke niet tot stand is gekomen in het kader van het samenbrengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, een werknemer ter beschikking stelt om in opdracht en onder toezicht en leiding van die derde arbeid te verrichten, waarbij de werkgever, die de werknemer ter beschikking stelt, alleen met toestemming van die derde gerechtigd is de werknemer aan een ander ter beschikking te stellen;
e.payrollwerknemer: de werknemer, bedoeld in onderdeel d;

f.opdrachtgever: de derde, bedoeld in onderdeel d.

B: Na paragraaf 6 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 6a Ontslag van een payrollwerknemer

Artikel 6a:1

1.Indien als gevolg van het beëindigen van een overeenkomst tussen een payrollwerkgever en een opdrachtgever door de payrollwerkgever toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding met een payrollwerknemer wordt gevraagd, wordt aan de hand van de omstandigheden bij de opdrachtgever bepaald of aan de voorwaarden voor het verlenen van toestemming is voldaan.
2.Indien de regels voor het bepalen van de volgorde van opzegging bij het vervallen van arbeidsplaatsen bij de opdrachtgever afwijken van artikel 4:2, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van die regels.
3.Als het eerste lid van toepassing is, is in afwijking van de artikelen 4.1, derde lid, en artikel 4.2, derde lid, Bijlage B niet van toepassing.

Artikel 6a.2

Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding met een payrollwerknemer verleent wegens redenen van bedrijfseconomische aard bij de opdrachtgever, verbindt hij hieraan de voorwaarde dat de opdrachtgever niet binnen 26 weken na de bekendmaking van die toestemming een werknemer in dienst zal nemen voor het verrichten van werkzaamheden van dezelfde aard, dan nadat hij de payrollwerknemer in de gelegenheid heeft gesteld zijn vroegere werkzaamheden op de bij de opdrachtgever gebruikelijke voorwaarden te hervatten, al dan niet door tussenkomst van de payrollwerkgever.

Artikel 6a.3
De artikelen 4.1, derde lid, 4.2, 4.5, 6a.1 en 6a.2 zijn niet van toepassing indien de overeenkomst tussen de payrollwerkgever en de opdrachtgever op initiatief van de payrollwerkgever wordt beëindigd, omdat de opdrachtgever de financiële verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst gedurende een periode van ten minste drie maanden in het geheel niet is nagekomen en de payrollwerkgever in voldoende mate heeft getracht nakoming van de overeenkomst af te dwingen.

ARTIKEL II OVERGANGSBEPALING

Paragraaf 6a van het Ontslagbesluit is niet van toepassing, indien de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst tussen de payrollwerkgever en de payrollwerknemer is gelegen voor 1 januari 2015.
ARTIKEL III INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Terug naar nieuws